Paarden

Bij een mestonderzoek wordt  geteld of en hoeveel wormeitjes zich in de mest van uw paard bevinden. Een kleine hoeveelheid mest wordt afgewogen en opgelost in een afgemeten hoeveelheid vloeistof. Een gedeelte van deze oplossing wordt in een telkamer gebracht en de aanwezige wormeitjes worden onder de microscoop geteld. De uitslag wordt uitgedrukt als het aantal wormeitjes per gram mest: EPG.

foto; VPL 'Het Woud'

De uitslag geeft een goede indicatie hoe hoog de wormei uitscheiding bij uw paard is.

Door dit mestonderzoek met daaraan gekoppeld een eventueel wormbestrijdingsadvies, kunt u doelgericht en succesvol de maagdarmwormen bestrijden bij uw paard, pony of ezel.

Foto; VPL 'Het Woud'

De afgelopen 20 jaar was het bestrijden van  wormen bij paarden meestal vrij simpel: op vaste tijden werd eenvoudig een ontwormingspuit toegediend.
Vandaag de dag moeten en willen we het toch echt anders doen omdat we onze paarden, pony’s en de omgeving niet onnodig met medicijnen willen belasten en om resistentie (het ongevoelig worden van de worm voor een middel) tegen de ontwormingsmiddelen te voorkomen.

De volwassen lintworm leeft in de darm en scheidt zijn eitjes uit in pakketjes. Deze eitjes komen vrij zodra de pakketjes openbreken. Vaak barsten deze pakketjes pas open als de mest op de wei ligt. Hierdoor is mestonderzoek helaas niet betrouwbaar om lintworminfecties op te sporen.

De paarden spoelworm is een zeer vruchtbare worm. Een vrouwelijke  worm kan tot 200.000 eitjes per dag leggen, die dan met de mest op de weide komen. Spoelwormeitjes worden omgeven door 3 lagen. Eitjes zijn goed beschermd tegen droogte, temperatuurverschillen en chemische stoffen en kunnen tot 10 jaar infectieus blijven. Doordat de eitjes zo goed kunnen overleven buiten het paard is elke weide waar paarden hebben gelopen als besmet te beschouwen. Echter de infectie wordt vooral overgedragen tussen veulens van verschillende jaargangen. Bij onvoldoende hygiëne komen ernstige infecties ook op stal voor.

In totaal worden 50 soorten beschreven binnen de groep van kleine bloedwormen. Hiervan komen maar 10 tot 20 soorten veel voor. De volwassen kleine bloedwormen worden gevonden in de dikke en blinde darm van paarden van alle leeftijden, behalve bij pasgeboren veulens.

Door het gebruik van effectieve ontwormingsmiddelen is het voorkomen van de grote bloedworm de laatste 15 jaar sterk afgenomen. Op veel paardenbedrijven komen grote bloedwormen niet meer voor.
De levensloop van de kleine en grote bloedworm, buiten het paard, is hetzelfde en staat beschreven bij de kleine bloedwormen.

Veulenworminfecties komen voor bij jonge veulens en dan meestal onder de 6 maanden. De infectiebron voor het veulen is het moederdier.

De aarsmade is een veel voorkomende worm die op grond van zijn uiterlijk vaak verward wordt met de spoelworm. De aarsmade geeft eigenlijk alleen jeukklachten. Het is een witte, kleine ronde worm met een heel typisch smal uitlopend achtereind.

Longwormen bij paarden worden meestal veroorzaakt door de longwormen van ezels waarmee ze samen geweid worden.

Meer dan 50% van de Nederlandse paarden is geïnfecteerd met paardenhorzel larven. De aanwezigheid van de horzellarven kan niet met mestonderzoek worden aangetoond.

Leverbot infecties worden de laatste jaren steeds vaker bij paarden gevonden. Net als bij andere wormen worden dieren geïnfecteerd tijdens het grazen. De leverbot heeft een gecompliceerde indirecte levenscyclus. Een zoetwaterslakje is noodzakelijk als tussengastheer. Omdat deze slakjes alleen onder vochtige omstandigheden overleven zien we dat leverbot infecties beperkt blijven tot paarden die hebben gegraasd op natte en vochtige weides en dan vooral die weides waar het voorgaande jaar schapen of runderen hebben gelopen. Op hoge zandgronden of weides die goed zijn afgewaterd komt leverbot van nature niet voor. Daarentegen ligt een leverbotinfectie altijd op de loer in bijvoorbeeld de westelijke weidegebieden. Ook één natte hoek of slootkant met water kunnen een bron voor leverbot infecties zijn.